Leren van boeren die werken aan koolstofvastlegging

Onderzoekers Lilian Raeijmaeckers en Darleen van Dam

Een gezonde bodem is essentieel voor een veerkrachtige en toekomstbestendige (biologische) landbouw. Het Louis Bolk Instituut onderzoekt sinds 2018 via het project Slim Landgebruik het effect van maatregelen om organische stof op te bouwen en daarbij koolstof vast te leggen in de bodem. “De inzichten en effecten van boeren uit onze praktijknetwerken geven waardevolle input aan collega-boeren en aan docenten in het landbouwonderwijs.”

Dat zegt onderzoeker Duurzame Veehouderij & Agrobiodiversiteit Lilian Raeijmaeckers van het Louis Bolk Instituut. Het instituut is partner in het consortium Biologische Landbouw vanuit het doel om kennis over de biologische landbouw beschikbaar te stellen aan de sector.
Raeijmaeckers en haar collega-onderzoeker Darleen van Dam van Wageningen University & Research, delen in dit artikel de ervaringen die het Louis Bolk Instituut, WUR en CLM optekenden uit de monden van de deelnemende boeren aan het project Slim Landgebruik. Tijdens de consortiumdag op woensdag 25 maart gaven ze hierover een presentatie.

“Waardevol om in gesprek te zijn met biolandbouw”

De boeren die meewerken aan het project Slim Landgebruik hebben tijdens het project verschillende bodembeheermaatregelen al geïntegreerd in hun bedrijfsvoering. Door de opgedane kennis en praktijkervaringen van deze boeren breed te gaan verspreiden, denkt het Louis Bolk Instituut toekomstige boeren te stimuleren, dit ook te gaan doen, en ze bovendien beter te kunnen voorbereiden op klimaatgericht bodembeheer. “Slim Landgebruik is niet specifiek gericht op de biologische landbouw”, aldus Raeijmaeckers. “Daarom is het Louis Bolk Instituut partner in het consortium Biologische Landbouw, omdat het voor ons waardevol is om in gesprek te zijn met de biolandbouw.”

Over het project Slim Landgebruik

Het onderzoeksproject Slim Landgebruik wilde verschillende maatregelen testen waarmee boeren het organischestofgehalte in hun bodem kunnen verhogen. De groep deelnemende boeren bestond uit 47 melkveehouders en 62 akkerbouwers in 8 netwerken, verdeeld over Nederland. De boeren konden kiezen uit deze 13 maatregelen, of ze konden maatregelen combineren:

1. kruidenrijk grasland
2. verhoging van de leeftijd van grasland
3. uitbreiding van het areaal blijvend grasland
4. wisselteelt van mais en grasklaver
5. toepassing van extra compost
6. inzet van groenbemesters of vanggewassen
7. niet-kerende grondbewerking (NKG)
8. aanpassing van de gewasrotatie
9. agroforestry
10. aanleg van akkerranden
11. aanvoer van extra vaste mest
12. het achterlaten van gewasresten
13. de aanleg van vogelakkers.

De boeren moesten aangeven welke voor- en nadelen ze bemerkten in de praktijk, wat het effect was op hun bedrijfsvoering, op het organischestofgehalte (en dus de koolstofopslag) en op de bodemkwaliteit. Ook voerde het Louis Bolk Instituut metingen naar het koolstofgehalte uit in de percelen van de deelnemende boeren.

Favoriet bij de veehouders

Veel toegepaste maatregelen onder de veehouders waren ‘leeftijd grasland verhogen’, ‘hoger aandeel blijvend grasland’ en ‘wisselteelt mais-grasklaver’. “Deze maatregelen liggen in het verlengde van de bedrijfsvoering en kunnen kostenneutraal ingepast worden”, legt Raeijmaeckers uit. “Ook passen melkveehouders vaak groenbemesters en extra compost toe op hun bouwland. Agroforestry wordt nog maar in beperkte mate ingezet.”
Het was voor de boeren een uitdaging om een goede grasmat, grasklaver of graskruiden te behouden, vooral in situaties met veel droogte of natheid, vertelt Raeijmaeckers. “Er werd dan weleens gekozen om hun grasland te vernieuwen. Er is bij de boeren veel aandacht voor droogteresistentie van bodem en gewassen.”

Dit is meer voor akkerbouwers

Akkerbouwers richtten zich meer dan de melkveehouders op aanpassingen in hun gewasrotatie en het laten liggen van gewasresten, aldus Raeijmaeckers. “Voor melkveehouders zijn deze maatregelen minder relevant, omdat ze gewoonweg minder bouwland hebben.” Ook groenbemesters worden door de akkerbouwers op grotere schaal toegepast. “Dat is ook een verplichting binnen het GLB.” Er zijn wel wat uitdagingen op dat vlak, aldus de onderzoeker. “Denk aan het risico op vermeerdering van ongewenste aaltjes, aardappelopslag en de weersafhankelijkheid van het kunnen onderwerken van de groenbemesters. Het inzetten van meer rustgewassen in het bouwplan hangt sterk samen met het door de boer gewenste financiële rendement, heeft Raeijmaeckers geconstateerd.

Combinaties van bodemmaatregelen

Sommige boeren pasten combinaties van bodemmaatregelen toe. Vooral de akkerbouwers. Het bleek dat sommige maatregelen elkaar duidelijk versterken, vertelt Raeijmaeckers. “Bijvoorbeeld de combinatie van een groenbemester met niet-kerende grondbewerking (NKG). De bodem blijft bedekt, wat de bodemstructuur en het bodemleven verbetert. Ook extra compost in combinatie met NKG werkt positief, omdat de compost in de bovenste bodemlaag blijft en daar bijdraagt aan organische stof, nutriëntenbenutting en een betere bewerkbaarheid, vooral op kleigronden.”
Andere combinaties hebben juist ongewenste effecten, merkten de boeren. “Extra compost samen met extra vaste mest kan leiden tot een te hoog fosfaatgehalte. Ook is de combinatie van kruidenrijk grasland met extra compost weinig zinvol, omdat klavers in het grasland al stikstof binden en compost daardoor weinig toevoegt en vooral extra kosten veroorzaakt.
Melkveehouders kunnen minder maatregelen combineren. “Omdat er weinig maatregelen effectief gecombineerd kunnen worden met grasland en veehouders doorgaans weinig aanvullende teelten hebben.”

Wat vinden de boeren ervan?

“De boeren zijn in de basis positief over bodemmaatregelen”, vertelt Raeijmaeckers. Ze somt op: “De organische stof wordt verhoogd, er zijn meer nutriënten beschikbaar, er wordt bespaard op arbeid(kosten), de grond is beter bestand tegen droogte, de opbrengst neemt toe, de bodemstructuur en draagkracht van de bodem verbetert en de boeren zijn minder geld kwijt aan (gras)zaad en – in geval van akkerbouw – aan mest. Organische stof en het verbeteren van de bodemkwaliteit zijn belangrijk voor het productiesysteem, het vastleggen van koolstof is een bijvangst.”
De redenen waarom boeren niet kiezen voor dit soort bodemmaatregelen blijken praktisch en institutioneel van aard, zegt Raeijmaeckers. “Boeren noemen de beperkte bemestingsruimte en andere regelgeving: onduidelijkheid over de graslandstatus door onder andere het vervallen van de derogatie en de angst voor een omzetverbod vanuit het GLB.
Ook het beheersen van ongewenste kruiden is een uitdaging. Evenals het behouden van de gewenste (gezaaide) kruiden in grasland en het vinden van compost van consistente kwaliteit.”
Boeren beoordelen maatregelen sterk vanuit bedrijfslogica, vertelt de onderzoeker. “Blijft de voederkwaliteit en opbrengst van mijn grasland behouden? Hoeveel tijd (arbeid) kost me die maatregel, wat zijn de kosten van het zaaizaad en het zaaien van kruidenrijk grasland, welke risico’s loop ik, en wat doet het weer? Alleen als de antwoorden op deze vragen overwegend positief zijn, zal een boer genegen zijn, de maatregel in te voeren.”

Kennis breed delen met de praktijk

Het project Slim Landgebruik loopt nog door tot in ieder geval eind 2026. Wanneer deelonderzoeken zijn afgerond, worden de resultaten steeds beschikbaar gesteld op de website van het Louis Bolk Instituut en Slim Landgebruik. “We richten ons nu vooral op uitbreiding van het aantal boeren dat werkt aan koolstofvastlegging. “De komende tijd richten we ons op de vraag: hoe zorgen we dat meer boeren dit gaan doen? En wie/welke partij is daarvoor aan zet? Kennisdeling met onder meer het onderwijs en het bedrijfsleven is daarvoor in onze ogen cruciaal.”

Meer lezen over Skal

Tekst: Kitty Peetoom